Project Pinksterlied:


een uitdaging aan componisten, koren en geloofsgemeenschappen


In 2005 besteedde het Gregoriusblad uitvoerig aandacht aan criteria voor liturgische muziek. Hoe kunnen we bepalen of een liturgisch gezang goed is? Wat betekent ‘goed’ eigenlijk, welke factoren zijn er in het spel? Een lied moet goed zijn van woord en toon, maar ook factoren als de (rituele) context waarin het gezang klinkt, de cultuur waarin wij leven en de muzikaliteit van de betreffende geloofsgemeenschap spelen een rol. Over criteria kunnen we nadenken en schrijven, maar we kunnen ook concreet aan de slag gaan en experimenterend ontdekken over een liturgisch gezang ‘goed’ is. Studio Elim, een project van de fraters van Tilburg, gaat deze weg.

De fraters van Tilburg (De officiële naam is: ‘de Congregatie van de Fraters van Onze Lieve Vrouw, Moeder van barmhartigheid’, in het Latijn: Congregatio Fratrum Beatae Mariae Virginis, Matris Misericordiae, afgekort als ‘CMM’) rekenen het van oudsher tot hun taak met jongeren op te trekken. Veel fraters werkten op scholen en nog steeds is ‘Zwijsen’ (de stichter van de congregatie) een begrip voor mensen in het onderwijs. Door de veranderingen in de maatschappij hebben de fraters hun missie opnieuw moeten formuleren.
Voor de fraters van de Elimcommuniteit in Tilburg staan jongeren nog steeds centraal. Zij willen hun, met alle mogelijke middelen, ruimte bieden om zich religieus te ontwikkelen. Elim is een broedplaats, een experimenteercentrum waar jongeren en jongvolwassenen kennis kunnen maken met de geloofsbronnen van Schrift en traditie, en waar zij de kans krijgen deze bronnen te verbinden met hun eigen leven.
In mei 2000 werd in dit kader Studio Elim geopend: een opnamestudio, waar (jongeren-)koren opnamen kunnen maken en waar nieuwe liturgische muziek ontwikkeld wordt. Twee vaste koren maken gebruik van Studio Elim: Jongerenkoor Sint Lucas en middenkoor Katharsis. In beide koren is een klimaat gegroeid, waarin jongeren en jongvolwassenen het aandurven om hun religieuze beleving om te zetten in tekst en muziek, en waar de ontstane producten direct in de praktijk kunnen worden uitgeprobeerd.

Directorium
In het najaar van 2005 is Katharsis begonnen aan wat we het ‘Pinksterproject’ zijn gaan noemen. Directe aanleiding tot dit project was een artikel in het tijdschrift Communio van oktober 2003 van de hand van J. Hermans. Dit artikel draagt de programmatische titel ‘Op weg naar een directorium voor liturgische gezangen’ en sluit direct aan bij een paragraaf uit het Romeinse document Liturgiam authenticam. In art. 108 van Liturgiam authenticam wordt aan de bisschoppenconferenties gevraagd een directorium of overzicht van teksten op te stellen die bestemd zijn voor de liturgische zang.
Opvallend is dat alleen gesproken wordt over ‘teksten’. Studio Elim ziet hier voor zichzelf een opdracht weggelegd: als er van officiële zijde een overzicht van teksten wordt opgesteld aan de hand van vastgelegde criteria - waarover zo dadelijk meer -, hoe zit het dan met de muziek? Liturgiam authenticam vraagt nadrukkelijk dat nationale of diocesane commissies én andere deskundigen het opstellen van het bedoelde overzicht begeleiden. Door vanuit haar eigen expertise en ervaring nieuwe liturgische gezangen te ontwikkelen en deze te laten beproeven door koorzangers, kerkmusici en kerkgangers wil Studio Elim de discussie over ‘goede liturgische muziek’ bevorderen en zo een bijdrage leveren aan het opstellen van het door Liturgiam authenticam bedoelde directorium.

Criteria
In zijn artikel in Communio schetst J. Hermans enkele ‘algemeen kerkelijke criteria bij de keuze van liturgische gezangen’. In oktober 2006 vatte hij deze criteria kort samen (zie kader)

1. Orthodoxe geloofsinhoud
Het geloof van de Kerk moet in de gezangen tot uitdrukking komen.

2. Voorrang voor bijbelse en liturgische inhoud
Voorop staan de psalmgezangen, daarna komen liederen die andere bijbelse gedachten verwoorden. De teksten moeten vooral stammen uit de bijbel en uit de liturgische bronnen van de Kerk.

3. Plaats en functie in de liturgie
Ieder gezang moet afgestemd zijn op de plaats en functie die het in de liturgie heeft.

4. Onderscheid in geadresseerden
De liturgische teksten (in gebeden en gezangen) zijn vrijwel steeds gericht tot God de Vader. Gezang gericht tot Jezus Christus is naast de communieritus uitzonderlijk. Gezangen tot de H. Geest en Maria zijn in de mis nog uitzonderlijker. De gezangen richten zich niet of nauwelijks tot de mens en wanneer dat wel gebeurt alleen binnen een bijbelsliturgisch kader.

Uit: Bisdomblad bisdom ‘’s-Hertogenbosch, oktober 2006

De criteria leggen veel nadruk op de inhoud van de teksten (criteria 1 en 2). Gezangen moeten voedend zijn voor het geloof van mensen en daarom dienen de teksten die wij zingen in de liturgie, gegrond te zijn in de woorden van Schrift en traditie. De gezangen geven, evenals de gebeden en de homilie, vleugels aan de oude woorden, waardoor zij vlees en bloed kunnen worden in mensen, daadwerkelijk en levend woord.
Achter de eerste twee criteria herkennen wij de zorg om dicht bij de oorspronkelijke bronnen te blijven, om het vuur van de Schriftverhalen niet te laten uitdoven. Soms missen (graag gezongen) liederen de ‘spanning’ en de radicaliteit van het Woord, sommige gezangen zijn gewoonweg te flauw en horen daarom niet thuis in de liturgie.
Uiteraard moet een gezang passen bij de liturgie (criterium 3). Aan de functionaliteit van liturgische gezangen is in de laatste decennia veel aandacht besteed. ‘Het juiste lied op de juiste plaats’ was en is een terugkerend motto. Vanuit de Amsterdamse Werkgroep voor Volkstaalliturgie, waarin de tekstdichter Huub Oosterhuis en de componist Bernard Huijbers leidende personen waren, is veel aandacht besteed aan de ‘vorm’ van de gezangen. Op basis van studie naar onder andere het gregoriaans kwamen zij tot de ontdekking dat de liturgische zang niet alleen bestaat uit strofeliederen, maar ook uit doorgecomponeerde psalmen, litanieën, korte acclamaties en gezongen schriftlezingen. Voor het Nederlands taalgebied verrichtten zij pionierswerk en ontwikkelden zij gezangen die afgestemd zijn op de plaats en de functie die zij in de liturgie hebben.
Criterium 4 dat ingaat op de ‘geadresseerden’ verrast ons. Het lijkt meer een criterium voor de taal van gebeden: bidden doen we tot God, maar zingen kan zowel gericht zijn tot God, als over God en zijn werken gaan. Zie bijvoorbeeld psalm 1, waar in de derde persoon over de Heer wordt gesproken (‘de Heer beschermt de weg de weg van de rechtvaardigen’- v. 6, NBV). Met de psalmen loven, danken, prijzen en klagen wij (zowel in de directe als in de indirecte rede); met de woorden van Genesis in ons hoofd zingen wij God dank voor zijn grote daden; met woorden van Paulus bezingen wij ‘Christus, de gestalte van God’; met de evangelisten zingen wij over ‘Jezus die langs het water liep en Simon en Andreas riep’. Naar goed bijbels gebruik zijn gezangen soms rechtstreeks tot God of Christus gericht, dan weer gaan ze over de heilsdaden.
De criteria gaan niet in op de muziek. In andere kerkelijke bronnen wordt met nadruk gewezen op het gregoriaans als de eerste en voornaamste zang in de liturgie (zie onder andere Sacrosanctum Concilium nr. 116). Eén van de kenmerken van het gregoriaans is ‘vocaliteit’. Bij sommige liturgische gezangen lijkt het erop dat zij vooral vanuit de harmonieën gedacht worden en minder vanuit de vocale lijnen. Wat ons betreft, is vocaliteit één van de criteria voor liturgische muziek.

Het oude woord vertalen
De tekstgroep van Katharsis zag er een uitdaging in om de criteria van Hermans nader te bekijken en serieus te nemen. Het vierde criterium leek ons te beperkend om stem te kunnen geven aan wat mensen religieus beweegt en hebben we daarom laten liggen. Om recht te doen aan de genoemde criteria kozen we als uitgangspunt voor ons project voor de gregoriaanse gezangen van Pinksteren. De tekstgroep van het koor heeft zich verdiept in de inhoud en de functie van deze gezangen. Onder leiding van de liturgist Andries Govaart zijn we begonnen de drie processiegezangen opnieuw uit het Latijn te vertalen: intredezang (introitus), offergang (offertorium) en de communie (communio). Tijdens deze onderdelen van de mis wordt er gelopen. Dit lopen is een liturgische handeling en wordt van oudsher ondersteund en begeleid door gezangen. Zang en liturgische handeling worden één doordat een kleine hoeveelheid tekst wordt uitgesmeerd over de hele beweging. De handeling ‘kleurt’ ook de tekst. Wat in de tekst wordt bezongen, wordt ‘waar’ doordat mensen zich letterlijk in beweging zetten.
Het was voor de tekstgroep een ontdekkingsreis om door te dringen in de bijbelteksten van de gregoriaanse gezangen. Zoekend naar betekenis ontstonden nieuwe teksten, die niet de pretentie hebben een vertaling te zijn, maar wel iets in beweging willen brengen bij jongvolwassenen die zich willen laten voeden door de bronnen van liturgie.

Beproeven
Naar ons idee moet nieuwe liturgische muziek in de praktijk uitgetest worden en daar op haar kwaliteiten beproefd worden. Voordat een compositie in druk verschijnt, dient ervaring te worden opgedaan met de moeilijkheidsgraad en met de wijze waarop het stuk functioneert (of niet functioneert) in de liturgie. Bovendien is het belangrijk dat het stuk graag wordt uitgevoerd door koor en begeleiders. Alleen dan zal het in het repertoire worden opgenomen.
Het koor Katharsis organiseerde dan ook een tweetal zangdagen (2006 en 2009), waarbij de nieuwe composities van het Pinksterproject werden ingestudeerd en gezongen in een afsluitende eucharistieviering.
De ruim deelnemers aan deze zangdagen waren enthousiast. Er is behoefte aan nieuw bruikbaar repertoire; sommige gezangen bleken eenvoudig, anderen vroegen meer repetitietijd. De directe toepassing van de nieuwe liederen in de liturgie heeft veel informatie gegeven over de bruikbaarheid ervan.

Martin Hoondert en Albert van der Woerd


Dit artikel is een bewerking van een eerder artikel dat verscheen in het Gregoriusblad, maart 2007.
Download hier de PDF-versie